Posts tonen met het label Bijzonder Portugees. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bijzonder Portugees. Alle posts tonen

maandag 7 december 2020

Bijzonder Portugees 41. Eilandjes in de stad


In Portugal is nooit sprake geweest van enige vorm van grootschalige, door de overheid gecoördineerde sociale woningbouw. Op Nederlandse manier georganiseerde woningbouwverenigingen of - corporaties waren en zijn hier onbekend. Terwijl in Amsterdam al in 1852 de eerste woningbouwvereniging werd opgericht en de arbeiders in diezelfde eeuw van de nauwelijks menswaardige onderkomens op Kattenburg en Wittenburg verhuisden naar huurwoningen in De Pijp en de Dapperbuurt, werd het huisvesten van de door de Industriële revolutie aangetrokken werkzoekenden in Porto en Lissabon volledig aan het particulier initiatief overgelaten. In Porto bedacht men een unieke en lucratieve manier om voor goedkope huisvesting te zorgen: De zogenaamde `Ilhas´, oftewel Eilandjes. Deze bestaan uit ongeveer een dozijn krakkemikkige, piepkleine woninkjes, meestal in de achtertuin van de huisbaas. Hoewel tegenwoordig minder in aantal - in 1899 waren er meer dan 1000 - zijn er nog heel wat van die eilandjes in Porto. Meestal goed verborgen en slechts bereikbaar via de tunnel onder een poortwoning.

 


Omdat de bouwpercelen in Porto erg diep waren, leenden ze zich uitstekend om achter de eigen woning tien tot twaalf gelijkvloerse huurwoningkjes neer te zetten. In twee rijen tegenover elkaar en gescheiden door een smalle corridor. Voor de bouwvergunning, hoefden halverwege de 19e eeuw alleen de gevels getekend te worden, de rest werd aan het goeddunken van de grondeigenaar overgelaten. De woninkjes werden gebouwd met bouwmaterialen van slechte kwaliteit en de eigenaar was niet verplicht om voor ventilatie, stromend water, elektriciteit of een afvoersysteem te zorgen.
De huisjes hadden doorgaans een gevel van 4 meter. Binnen waren drie micro-ruimtes: huiskamer, keuken en slaapkamer. Soms was er nog een piepklein, laag zoldertje boven de keuken en de slaapkamer. Daar konden de jongste kinderen dan slapen. De wc, als die er al was, vond je achter in de tuin, of in het midden van de gang. Hij moest door de huurders gezamenlijk schoongehouden worden. De huisjes hadden geen eigen sanitaire voorzieningen.


Om toch nog wat zuurstof in te ademen, er moest binnen ook nog - op een houtvuurtje - gekookt worden. stond de bovenste helft van de halve buitendeur altijd open, de onderste was gesloten om honden en ongedierte buiten te houden. Samen met de flinterdunne binnenmuren, zorgde dat ervoor dat de bewoners nauwelijks geheimen voor elkaar hadden. Je kon immers elk gesprek horen. Dit bevorderde - naast spanningen - sterke onderlinge banden en solidariteit. Zelfs clanvorming. Vaak huurden volwassen geworden kinderen, neven en nichten bij voorkeur een woning op het zelfde eilandje als hun oudere familieleden, zodat sommige eilandjes bijna geheel door één familie bewoond werden. 

Hoewel de huren laag waren, vormden de eilandjes voor de kleine burgerij van Porto een veilige - en zelfs belastingvrije - investering, die zich snel terugbetaalde. De woningnood was groot, dus de huisjes waren vrijwel altijd bezet. 
De salarissen die in de 19e eeuw in de fabrieken en werkplaatsen in Porto werden verdiend waren zo laag, dat 80% daarvan direct aan voedsel besteed moest worden. Slechts zo´n 10% bleef over om onderdak te betalen. Daarom vormden de lage huren op de eilandjes een aantrekkelijke oplossing voor de arbeiders in die tijd. Bovendien kon men op de eilandjes vaak huisvesting vinden op niet al te lange loopafstand van het werk. Na een 13urige werkdag had men tijd noch energie om een lange weg naar huis af te leggen. Openbaar vervoer, voor zover aanwezig, was veel te duur.


Aan het einde van de 19e eeuw woonden er 50.000 mensen - zo´n beetje de helft van de bevolking van Porto - op bijna 1050 eilandjes in de stad. Voor `law and order´ vaak ontoegankelijke, vijandige gebiedjes en vanwege de ongezonde wooncondities, de slechte sanitaire omstandigheden en het illegaal houden van varkens, kippen en honden, bronnen van ziekte en epidemieën van griep, tbc, cholera en vlektyfus. Porto was de laatste Europese stad waar (in 1899) de builenpest werd uitgebannen.
(Als de pest) gemeden door de hogere standen en buiten het nieuws gehouden door de pers, werden de eilandjes door de opeenvolgende B&W´s van Porto vooral gezien als een probleem, dat het liefst genegeerd werd. Maar soms ook, zoals in de jaren vijftig van de 20e eeuw, sloeg een stadsbestuur rigoureus aan het slopen en `deporteerden´ de bewoners tot hun verdriet naar nieuw opgetrokken wijken in de suburbs.


In hun gezamenlijk voorwoord bij bij de studie `Ilhas do Porto´ (2018) van Isabel Breda Vazquez en Paulo Conceição, die een historisch overzicht, karakterisering en inventarisering van de `eilandjes´ van Porto geeft, zeggen de burgemeester Rui Moreira en wethouder Manuel Pizarro: "Gedurende 150 jaar, leefde de stad in een slechte verstandhouding met de eilandjes. De eilandjes werden en worden met recht gezien als een probleem. Omdat de meeste van hen op ondeugdelijke manier geconstrueerd zijn, zonder adequate infrastructuur, zijn de eilandjes vaak bronnen van ongezondheid en ziekte. In de19e eeuw stelde Ricardo Jorge (1) deze situatie al aan de kaak, refererend aan die "smerige vogelkooien van een eilandjes, vochtig en zonder licht" als een van de bepalende oorzaken van de slechte gezondheid van de inwoners van Porto en het verschrikkelijke percentage van kindersterfte (...) Een soort van `niet stad´ die Porto meestal negeerde, beschaamd met haar onvermogen om fatsoenlijke woonruimte te verschaffen aan haar inwoners."

Moreira en Pizarro noemen daarna een aantal private en publieke initiatieven in de 20e eeuw ter bestrijding van de enorme (huur)woningnood. Er werden, met meer of minder succes, arbeiderswijken en zogenaamde `bairros sociais", sociale wijken waarin gemeentes de meest schrijnende gevallen pleegt te huisvesten, gebouwd.
Maar moeten concluderen dat de studie duidelijk maakt dat: (...)" Er in de stad bijna duizend eilandjes, collectieve volkshuisvesting, standhouden. Waarin meer dan tienduizend inwoners van Porto wonen, heel vaak in omstandigheden (...) die als ondeugdelijk geclassificeerd moeten worden." 


Zijn de eilandjes daarom een kwaad dat uitgeroeid moet worden? Morreira en Pizarro menen van niet. Natuurlijk moet de stadsvernieuwing ook de eilandjes bereiken, maar men mag nooit vergeten dat ze in veel gevallen worden bewoond door personen die er al heel lang wonen met een diep in de buurt geworteld sociaal leven.
Voor veel eilandjes is renovatie vanuit stedenbouwkundige overwegingen niet mogelijk, of veel te duur, maar op een groot aantal kunnen met bouwkundige interventies structurele problemen zodanig opgelost worden dat de bewoners er met hedendaags comfort en veiligheid kunnen wonen.
Burgemeester en wethouder dagen aan het eind van hun voorwoord de stad Porto uit om een renovatieprogramma voor de eilandjes te starten. Een programma waarin het stadsbestuur en de eigenaren van de eilandjes, voor het overgrote deel particulieren, zouden moeten participeren.

In juli 2018 volgt dan een tweedaags debat in de gemeenteraad over de eilandjes en andere huisvestingsproblemen, met name over de geringe beschikbaarheid van betaalbare huurwoningen in Porto. Tijdens het debat wordt duidelijk dat het probleem complex is en voor ieder eilandje weer anders, Verschillende partijen wijzen erop dat het niet aangaat dat de stad Porto geheel of voor het grootste deel opdraait voor de kosten van renovatie van particulier eigendom. Er wordt onderzoek van deskundigen voorgesteld en een lobby om geld van de centrale overheid los te krijgen.
Daarna lijkt de zaak in `águas de bacalhau´ te verzinken, oftewel op niets uit te lopen, want na de zomer van 2018 vind ik geen artikelen meer over plannen voor de eilandjes waarin het stadsbestuur van Porto een rol speelt.

                 
                                              Toeristenhuisvesting op de eilandjes           

Wel vond ik een artikel in het `Jornal de Notícias´  van 7 maart 2020, waarin wordt vermeld dat steeds meer eilandjes door de eigenaren worden gerenoveerd om er toeristen op te huisvesten. Vaak worden de oorspronkelijke, vaak oudere of werkloze, bewoners, door middel van huurverhogingen, gedwongen om hun woninkje te verlaten. Die huur kan oplopen tot 300 Euro per maand, terwijl een bijstandsuitkering, of een minimumpensioen in Portugal voor een alleenstaande nog geen 200 Euro bedraagt.  


(1) Ricardo Jorge (1858-1939) was een arts, onderzoeker, hygiënist en professor in de geneeskunde. Hij introduceerde in Portugal de moderne opvattingen en technieken van de volksgezondheid. Hij bekleedde verschillende functies in de gezondheidszorg, speelde een belangrijke rol in de bestrijding pandamieën etc en verkreeg een grote politieke invloed.  

maandag 11 februari 2019

Bijzonder Portugees 41. sterven van de kou in je eigen huis.

Ik heb het binnenshuis nog nooit zo koud gehad als in Portugal. Niet omdat het klimaat er zo grimmig is - in de winter komt het kwik ´s nachts maar sporadisch beneden de 0 graden Celsius en in het grootste deel van het land overdag niet beneden de 10 - maar omdat de meeste Portugezen hun huizen niet willen of kunnen verwarmen. Bijzonder onaangenaam na drie dagen regen, met een elektrisch kacheltje dat niet altijd aan mag omdat de elektriciteit in Portugal zo duur is.


Portugezen zijn optimisten: De zomer is lang en de winter duurt maar kort. Dus kopen of bouwen ze een zo groot mogelijk huis of appartement, met een mooie keuken, 3 badkamers en een hardhouten voordeur. Als het meezit kan er nog een klein open haardje in de huiskamer vanaf voor de gezelligheid en dan moet er natuurlijk nog een mooie nieuwe auto voor de deur (In Portugal zie je - ra ra - bijna alleen maar reclamespots voor de duurdere automerken op de televisie). Aan verwarming of warmte-isolatie wordt niet gedacht en als dan toch de winter invalt, zit er niets anders op dan naar de bouwmarkt te rennen om elektrische kacheltjes aan te schaffen. De open haard trekt niet en als ie dat wel doet: Stookhout is behoorlijk duur, met name in stedelijke gebieden. De elektriciteitsrekening blijkt een onaangename verrassing, want die kacheltjes verbruiken al gauw 1500 Watt per stuk, en de prijs per kWh is een van de hoogste van Europa. Men trekt een extra trui aan en bepaalde ruimtes worden in de winter maar even buiten gebruik gesteld.


Of: Hoe vaak heb ik dat verhaal al niet gehoord. De aspirant kopers of bouwers hebben zich door de gemeente (die een veel te duur contract heeft afgesloten voor de aanleg van een leidingnet), of de energiemaatschappij zelf, lekker laten maken, om de woning te verwarmen met zogenaamd `gás natural´ (aardgas). Dat is gas dat per tanker wordt aangevoerd naar de haven van Sines, in het zuiden van Portugal, om daarna in een distributieleiding geperst te worden. Portugal heeft geen eigen gas of aardolie. Nadat de korting van de aanbieding verlopen is, blijkt de maandelijkse gasrekening onbetaalbaar. Dus gaat de waakvlam uit, men rent naar de bouwmarkt voor elektrische kacheltjes ...Voor de rest zie boven.

En dan heb ik het nog steeds over mensen met een modaal of hoger inkomen, die, als het echt koud wordt hun huis wel kunnen verwarmen en als het moet die hoge elektriciteitsrekening ook nog kunnen betalen.
Veel beroerder is de situatie voor mensen met een laag inkomen, met name voor veel ouderen met een minimumpensioen., die vooral in de grote steden, in slechte behuizingen wonen. Gebouwd zonder enige vorm van warmte-isolatie en door de eigenaars ook nog eens slecht onderhouden (In Portugal bestaat geen systeem van sociale woningbouw voor de verhuur, zoals in Nederland). Deze mensen hebben geen geld voor verwarming, blijven in perioden van kou maar in bed liggen, onder een stapel dekens en kleren. Ze sterven soms letterlijk van de kou in hun eigen woning.
Volgens een studie van de Universiteit van Dublin is het percentage excessieve sterfgevallen ´s winters in Portugal 38% , terwijl dat in de rest van Europa rond de 15% ligt.


Een flink aantal van die sterfgevallen is het gevolg van brand in huis, omdat mensen zich toch met vuur, of een kacheltje aangesloten op een krakkemikkig elektrische installatie proberen te verwarmen, koolmonoxidevergiftiging door het gebruik van open vuur en - in het binnenland - ouderen die in hun eigen open haardvuur vallen. In de afgelopen drie maanden, de koudste van het jaar, stierven 19 mensen als gevolg van een van deze oorzaken.


Ook veel werkplekken en scholen worden uit zuinigheidsoverwegingen ´s winters onvoldoende verwarmd. Mijn zoon houdt al weer maanden zijn winterjas aan in de klas en soms kan hij zijn eigen adem zien. Zijn nieuwe school heeft een moderne verwarmingsinstallatie, maar die is of buiten werking, of verwarmt maar een paar lokalen. Volgens de directie werkt een technicus aan het defect, maar het is elk jaar hetzelfde liedje. en op veel scholen is het niet anders. De scholen krijgen gewoon onvoldoende budget voor de stookkosten.

Een onderzoek dat twee jaar geleden werd gehouden onder een grote groep inwoners van het vasteland van Portugal door het `Portal da Construção Sustentável´ (Platform Duurzaam Bouwen), wees uit dat 74% van de Portugezen het koud hebben in hun eigen huis.
`Het grootste deel van de Portugese huizen is niet toegerust op de kou. In andere landen, met lagere temperaturen, staat de verwarming 24 uur per dag aan. Portugese families hebben niet de gewoonte om hun huis te verwarmen, wat voor een groot deel te wijten is aan de energiekosten´, zegt Vasco Peixoto de Freitas, hoogleraar Constructie aan de Universiteit van Porto. Volgens hem moet er veel meer aandacht aan de isolatie van de Portugese woningen worden besteed. Maar zelfs dan: `Al is je woning supergeïsoleerd, als je geen geld aan energie uitgeeft, wordt die echt niet warm.´


Inmiddels zijn, in navolging van Europese regelgeving, de normen voor isolatie (o.a. de verplichting van dubbele beglazing) voor nieuwbouw en renovatie wel aangescherpt, maar er valt nog heel veel te doen.
Portugal blijft in sommige opzichten een hoogst merkwaardig land: Toen wij zeven jaar geleden ons huis lieten bouwen, was een certificaat voor geluidsisolatie (we wonen midden in de vrije natuur!) verplicht. Een technicus kwam met een soort van sirene en een decibelmeter de kwaliteit van die isolatie meten), maar in de warmte-isolatie van het huis was niemand geïnteresseerd.: Hiervoor kun je - nog steeds - geheel vrijwillig je huis laten testen en certificeren. Zo´n certificaat (flink duur natuurlijk) kan de verkoopprijs van je woning flink verhogen, maar is voor niemand verplicht.

Mijn vrouw en ik hebben jaren aangemodderd met elektrische kacheltjes in ons niet geïsoleerde, tochtige appartement in Vila Nova de Gaia. Brr. Ook onze open haard trok niet en ik moest zelfs de schoorsteen met oude handdoeken dichtstoppen, omdat er rook de huiskamer in kwam als de buren een romantische bui hadden.
Toen we besloten om een huis te bouwen in het binnenland (op 500 meter hoogte), stelde ik als voorwaarde dat we, voordat er ook maar een aannemer benaderd werd, eerst zouden uitzoeken en beslissen hoe we het op de beste manier konden verwarmen. Mijn vrouw, die uit ervaring weet hoe Nederlanders hun huis verwarmen, was het daar van harte mee eens.


We hebben nu een uitstekend geïsoleerd huis en de grote houtkachel die de centrale verwarming aanstuurt, hoeft zelfs in de koudste perioden alleen ´s avonds te branden om het ook de hele volgende dag aangenaam in huis te hebben.
Mijn buurman, die een paar jaar eerder een groter huis dan wij bouwde, met drie of vier badkamers enz., dacht aan isolatie noch verwarming. Hij trekt in de winter maar liever bij zijn vriendin in.




 

woensdag 5 december 2018

Bijzonder portugees 40. De minister dicht


Het is alweer een week of vijf geleden dat de minister van cultuur, Luís Filipe Castro Mendes - volgens zijn zeggen op eigen verzoek - werd vervangen. Hoewel hij er al een indrukwekkende carrière als diplomaat had opzitten (Luanda, Madrid en Parijs), was hij misschien niet zo'n handig politicus. Tijdens de verdeling van de cultuursubsidies moest hij zelfs een paar keer door premier Costa `ontzet´ worden. Maar hij was in ieder geval een stuk geciviliseerder dan zijn voorganger João - ja, de zoon van Mário - Soares. Die dreigde een tegenstander van zijn beleid wel eens even een paar muilperen te komen toedienen en moest vervolgens zijn ontslag indienen. Castro Mendes had iets bijzonders: Een minister-poëet met een blog: `Tim Tim no Tibet´ waarin hij zijn gedichten publiceert en zo'n 15 uitgegeven dichtbundels. Een daarvan, `Lendas da Índia´, werd bekroond met de `Antonio Quadrosprijs´. 


                                                        Luís Filipe Castro Mendes

Zijn gedichten staan in het volle leven, zoals het volgende, dat hij in 2014 schreef, toen Portugal zuchtte onder het juk van de Troika zuchtte:

A misericórdia os mercados

Nós vivemos da misericórdia dos mercados
Não fazemos falte.
O capital regule-se a si pr´prio e as leis
são meras consequências lógicas desse regulação,
tão sublime que alguns veem nela o dedo de Deus.
Enganam-se
Os mercados são simultaneamente o criador e a prápria criacão.
Nós é que não fazemos falta.

De barmhartigheid van de markten

Wij leven van de barmhartigheid van de markten
Wij zijn niet nodig.
Het kapitaal reguleert zich zelf en de wetten
Zijn enkel  logische gevolgen van deze zelfregulering,
Zo verheven dat sommige daarin de vinger Gods zien
Zij vergissen zich
De markten zijn tegelijkertijd schepper en geschapene
Wij zijn het die niet nodig zijn


Het was me al eerder opgevallen dat heel wat Portugese politici uit heden en verleden poëtische en andere literaire aspiraties vertoonden.
Zou dat in Nederland ook zo zijn?
Ik herinner me dat Jan Terlouw (minister van economische zaken 1981-82) een aantal (jeugd)romans op zijn naam had staan en ik heb van horen zeggen dat zijn partijgenoot Hans van Mierlo (voormalig minister van defensie en buitenlandse zaken) ook wel eens wat achterop een bierviltje krabbelde, maar verder. En dichters...?

Ik besloot een klein onderzoekje te doen: Een vergelijking tussen de literaire publicaties van alle Nederlandse en Portugese ministers tussen 1974 (Begin van de Portugese democratie) en nu.
een onofficieel onderzoekje zonder enig wetenschappelijk gehalte, voornamelijk gebaseerd op wat Wikipedia ervan denkt te weten.


En wat bleek: In al die opeenvolgende kabinetten van Den Uyl, Van Agt, Lubbers, Kok, Balkenende en Rutte zat niet één dichtende minister.

Behalve Jan Terlouw vond ik slechts twee schrijvers, die elk één thriller op hun naam hebben staan: Klaas de Vries (voormalig minister van Sociale en Binnenlandse zaken): `Operatie Vuurvogel´ en Ed van Thijn (Minister van Binnenlandse Zaken in Van Agt II), samen met Peter Brusse: `De dorpelingen van Innocento´. Overigens was van Thijn een van de weinige ministers die een aanmerkelijke lijst andere publicaties op zijn naam heeft staan.
En dan is er nog Frits Bolkenstein (Defensie), zeker geen bangbroek. Die schreef een toneelstuk in vijf bedrijven, `Graaf Floris´. Het werd gepubliceerd, gekraakt door de pers en - voor zover ik kon achterhalen - nooit gespeeld.
In de categorie non-fictie: Jet Bussemaker (OC&W) met o.a. `Dochter van een kampkind´ en een of twee columnisten: Hillen en Plasterk.


Nee, dan de Portugese ministers!

Naast bovengenoemde minister Castro Mendes, komen er nog drie serieuze minister/dichters langs  en een half dozijn schrijvers van literaire romans. Als je het fijne ervan wilt weten: Zie de lijst onderaan het artikel. Journalisten, columnisten en literatuurcritici te over in vrijwel alle kabinetten
En dan heb ik het nog niet eens over de onafzienbare lijst van al dan niet wetenschappelijke werken over politieke, sociologische, pedagogische, filosofische en andere onderwerpen die de dames en heren ministers in de afgelopen 45 jaar hebben geproduceerd. Daar kunnen hun Nederlandse ambtsgenoten een punt aan zuigen. Het lijkt wel of het overgrote deel van de Nederlandse ministers na hun scriptie of proefschrift niet veel meer dan een boodschappenlijstje - en een rapportje zo nu en dan natuurlijk - uit de pen krijgt.

Weet jij wij de volgende dichtregels schreef?

`Denkend aan Holland
 zie ik breede rivieren
 traag door oneindig
 laagland gaan (..)´

of

`Ik ben geboren uit zonnegloren
 En een zucht van de ziedende zee (...)´

Dikke kans dat ook jij geen gedichten schrijft. Of leest. Het zou me niets verbazen als je nog geen flinterdun bundeltje van Roland Holst (m/v) of Fritzi Harmsen van Beek in de kast hebt staan, zelfs niet - al was het maar voor de vorm - `De Nederlands Poëzie van de 19e en 20e eeuw´ van Gerrit Komrij. `Jan Vanriet? Die ken ik niet.´
Niks Bijzonders: Hollanders schrijven en lezen over het algemeen geen gedichten en ministers al helemaal niet. In het onderwijs wordt maar weinig aandacht aan de vaderlandse dichtkunst besteed en voor de meeste Nederlanders komt in het verdere leven, behalve in de vorm van Sinterklaasverzen (Zwarte Piet, die woont hier niet) en wat rijmelarij om het bruidspaar in het zonnetje te zetten, het concept gedicht nauwelijks meer in zicht.

                                                       `Os Lusiadas´ van Camões

Wat een verschil met het Portugese onderwijs: Tijdens je schooltijd maak je op zijn minst kennis met `Os Lusiadas´ (De Lusiaden, 1572) van Luis de Camões, de gedichten van de heteroniemen van Fernando Pessoa (1888-1935). en de poëzie van Sophia de Mello Breyner Andresen (1909-2004), die je ook weer overal op de muren in het zee-aquarium in Lissabon tegenkomt, of in de boekwinkel, waar een respectabele plek voor poëzie is ingeruimd. Je ontcijfert de middeleeuwse allegorie `O Auto da Barca do inferno´ (1531) van Gil Vicente (weet ik van mijn zoon), en leest `Os Maias´ (1888) van Eça de Queiroz en natuurlijk een tekst van Nobelprijswinnaar José Saramago.
Portugezen Vwo'ers weten over het algemeen heel wat meer over de cultuur en geschiedenis van hun land dan hun Nederlandse leeftijdgenoten. En wist je dat filosofie hier een verplicht vak is op de middelbare school?
Als ik de zaterdagse cultuurbijlagen lees, verbaas ik me telkens weer over enorme hoeveelheid literatuur, zowel proza als poëzie die wekelijks in Portugal uitgegeven wordt. Natuurlijk is de markt (Brazilië, Angola, Mozambique enz.) veel groter, maar toch..

Aan haar ministers kent men het volk.
Natuurlijk vind je in alle Portugese regeringen net zoveel advocaten en financiële haaien die geregeld stuivertje wisselen tussen landsbestuur en grootkapitaal (en daar intussen niet armer van worden) als in Nederland. Maar je merkt toch dat veel Portugese ministers cultureel meer onderlegd zijn dan Nederlandse. Dat hoor je duidelijk tijdens debatten en in interviews.

Of het daarom betere bestuurders zijn is natuurlijk nog maar helemaal de vraag. Misschien zou iemand dat eens kunnen onderzoeken.

                              Fernando Pessoa in café Brasileira in Lissabon


Portugese ministers- schrijvers:

-Adelino Hermetério da Palma Carlos, minister president 1e Provisorische Kabinet 1974: Twee gepubliceerde dichtbundels (naast andere gepubliceerde fictie en non-fictie)
-Álvaro Laborinho Lúcio, minister van justitie 1990, minister voor de Azoren 2003: Naast non-fictie goed voor twee romans.
-Álvaro Santos Pereira, minister economische zaken en werkgelegenheid 2011-2013: Een roman (en verschillende non-fictie werken)
-António Coimbra Martins, minister van cultuur 1983-85: Literaire studies over o.a. Pessoa en Eça de Queiroz, vertaler van werken van Sartre en Achard uit het Frans.
-Armando Bacelar, minister sociale zaken 1976-78: Literatuurcriticus en columnist onder verschillende pseudoniemen.
-Augusto Santos Silva: minister van cultuur, onderwijs, sociale zaken en defensie in verschillende regeringen, huidig minister van buitenlandse zaken: Een schier eindeloze lijst van gepubliceerde werken over onderwijs, cultuur, sociologie en politiek.
-Diogo Freites de Amaral, premier en minister van buitenlandse zaken in 1980-81 en 2005-06: Biografie over Dom Afonso Henriques en een toneelstuk over Viriato.
-Isabel Alçada, minister van onderwijs 2009-2015 tientallen romans en didactische boeken voor de jeugd en een waslijst van publicaties over allerlei onderwerpen.
-João Barroso Soares, minister van cultuur 205-16, verschillende romans in het Engels en Duits onder pseudoniem, werken over politiek.
-José Augusto Seabra, minister van onderwijs 1983-85, 14 gepubliceerde dichtbundels, diverse essays.

-Dan hebben we natuurlijk nog Manuel Alegre, die weliswaar - bij toeval? - geen minister werd, maar wel staatssecretaris van sociale communicatie in 1976, naast `2e man´ van de socialistische partij PS 30 jaar in het Parlement zat en zelfs presidentskandidaat was in 2006. Een een van de belangrijkste hedendaagse dichters van Portugal, die zo'n beetje alle belangrijke literaire prijzen in de wacht gesleept heeft, met als kers op de taart de `Prémio Camões´ voor zijn hele werk, vorig jaar.
-Álvaro Cunhal ( secretaris generaal van de Communistische Partij (PCP) voor (ondergronds en in het gevang) en na de Anjerrevolutie, die ook geen minister werd, mede omdat de CIA op slinkse wijze de partijkas van de rivaliserende Socialistische Partij (PS) spekte, zodat die meer kans bij de eerste verkiezingen zou maken. Hij schreef, naast een gigantisch politiek oeuvre, (onder pseudoniem) maar liefst negen romans.
-En tot slot dan Mário Soares, partijleider van de PS, eerste minister in diverse kabinetten en president van Portugal. Die schreef weliswaar zelf geen gedichten, maar hij heeft wel een boekje met gedichten die een belangrijke rol in zijn leven hebben gespeeld het licht doen zien: `Poemas da minha vida´ (De) gedichten van mijn leven


vrijdag 18 mei 2018

Bijzonder Portugees 39. Gek? Nee en nog eens nee!

Wat dacht je van een verhaal voor de afwisseling. Een liefdeshistorie. Waar gebeurd.  Misschien had je het nog niet gemerkt, maar diep in zijn hart is de Portugeest een romanticus.  `Kom nou, Portugeest´, zul je zeggen, `Wat romantiek? Dit is toch veel eerder een verhaal over  onderdrukking van de vrouw, een verhaal over vilein machismo, vernedering en corruptie! Natuurlijk, dat is het óók, maar in tegenstelling tot veel van dit soort verhalen, loopt dit goed af. Waarheid en liefde overwinnen en de macho heeft het nakijken. Lees nou maar verder...


Maria Adelaida is de enige erfgenaam van de winstgevende krant `Diário de Notícias´, die door haar vader is opgericht. Natuurlijk mag zij als vrouw die krant niet besturen. Zoiets zou ondenkbaar zijn in het Portugal van het het begin van de 20e eeuw. Men had daarvoor een echtgenoot voor haar gekozen: Alfredo da Cunha. Maria Adelaida mag het huishouden bestieren, kinderen baren en de gasten ontvangen op de drukbezochte feesten die de da Cunhas regelmatig geven. Hetgeen ze braaf en met een vrolijk gezicht doet, tot haar man een privé chauffeur voor haar in dienst neemt (en na enige tijd weer ontslaat; vermoedt hij iets?).

Maria Adelaida Coelho da Cunha

Op 25 november 1918 wordt Maria Adelaida Coelho da Cunha tegen haar wil opgesloten in de vleugel voor misdadigers van het psychiatrisch ziekenhuis `Conde do Ferreira´ in Porto. De eerste week brengt ze door in eenzame opsluiting. Er wordt haar in die week geen enkele therapie of medicatie geboden. Een diagnose of medische indicatie voor haar verblijf daar ontbreken. De directeur van het instituut heeft zonder voorbehoud de conclusie van haar echtgenoot geaccepteerd:
Getuige haar volledig gebrek aan spijt moet ze wel waanzinnig zijn.

Nog geen twee weken eerder, op 13 november, verlaat Maria da Cunha, eenvoudig gekleed, zonder haar juwelen en zonder bagage de echtelijke woning in Lissabon. Vanaf station `Rossio´ neemt ze de trein naar Santa Comba Dão, een klein stadje in het district Viseu in het midden van Portugal, waar haar geliefde, haar vroegere chauffeur Manuel Claro, haar opwacht met paard en wagen. Ze verandert haar naam in Maria Romana Claro en vanaf dat moment is zij de vrouw van Manuel. Zij is 48 jaar en hij 25 als ze gaan samenwonen op de eerste verdieping van een eenvoudig pension in Santa Comba Dão.

Natuurlijk is haar man, Alfredo da Cunha, bezorgd over de verdwijning van zijn vrouw. In de `Diário de Notícias´ verschijnt een week lang een bericht `Vermist´, met een beschrijving van haar postuur en de kleding die zij droeg tijdens haar verdwijning. Maar  (uit vrees voor een schandaal?) haar naam wordt niet genoemd..
Op 22 november ontvangt Alfredo een met groene lak gesloten brief, met als afzender niet meer dan de naam Adelaide. Het bericht is kort: `Ik ben in leven, maar onder omstandigheden waarin ik me in alle opzichten als dood beschouw [voor de wereld, vert.] en ik het verkieslijk vind dat jullie me als zodanig beschouwen.´ Ze schrijft deze brief nadat ze haar vermissingsbericht in de krant heeft gelezen. Ze vergeet dat het poststempel haar adres verraadt...
 
Manuel Claro

In de avond van 24 november bonkt de politie op de deur van het pension. Buiten staat Alfredo da Cunha te wachten. Hij begrijpt nu dat zijn vrouw vrijwillig voor een armoedig bestaan aan de zijde van een geliefde - met slechts de helft van haar leeftijd - heeft gekozen. En concludeert dat ze waanzinnig is geworden. Hij weigert haar verzoek om een echtscheiding en laat haar naar Porto overbrengen. Manuel Claro is die avond niet thuis.

Hoewel ze ook na die eerste week van volledige isolatie constant in de gaten wordt gehouden door een haar toegewezen dienstmeisje, weet Maria Adelaida da Cunha aan pen en papier te komen. Ze houdt een dagboek bij en schrijft een paar brieven aan haar geliefde Manuel, die ze met hulp van een personeelslid van de instelling verzonden krijgt.
Er wordt een vluchtplan voorbereid. Op 2 februari 1919, na het diner, profiteert Maria Adelaida van het moment dat haar dienstmeisje de afwas doet, om naar de binnenplaats te vluchten. Haar geliefde heeft een enorme houten ladder in elkaar geknutseld om over de muur te komen. Ze vluchten die nacht naar Rossâo, een klein dorp in het geïsoleerde Castro Daire.

Maar haar eigen familie verraadt haar verblijfplaats aan haar echtgenoot. Ook haar verwanten zijn van mening dat de verandering van haar geestesgesteldheid en haar `krankzinnige liefde´ wijzen op een psychische stoornis. Ze wordt zonder omwegen opnieuw opgesloten in de psychiatrische instelling en haar `zwaar te schande gezette´ echtgenoot wendt al zijn invloed aan om Manuel achter de tralies te krijgen. De chauffeur wordt gevangen gezet op beschuldiging van ontvoering en verkrachting.

Alfredo da Cunha

Maria Adelaida staat een wrede en afstandelijke behandeling te wachten in de instelling. Alleen het bijhouden van haar dagboek, dat ze ´s nachts onder haar kussen bewaart, weerhoudt haar ervan om daadwerkelijk gek te worden. Er zijn geen onderzoeken en er is diagnose noch behandeling. Wanneer ze eindelijk bezoek krijgt van haar zoon (kwaad) en haar dochter (verbijsterd), verneemt ze dat men haar in een psychiatrische instelling in het buitenland, waarschijnlijk Parijs, wilde `opbergen´. Ze weigert, omdat ze zeker weet dat ze haar geliefde Manuel dan nooit meer zou zien. De familie start een proces om haar `onbekwaam´ te verklaren en op die manier geheel afhankelijk van de luimen van haar echgenoot en bewindvoerder te maken.

Nog tijdens dit proces verkoopt Alfredo, zonder toestemming van zijn vrouw, voor een enorm bedrag, de krant. Iets wat hij absoluut niet mag doen, nu zij nog niet officieel onbekwaam is verklaard.
In alle haast wordt een artsenberaad van drie gerenommeerde psychiaters bijeengeroepen, die een `geestelijke stoornis´ diagnosticeren, gebaseerd op een zogenaamde geschiedenis van depressies in de familie en een kennelijk gebrek aan moraal van deze vrouw, `die alles in de steek laat om te vluchten met een knecht´. Een farce!
`Naderhand blijken er documenten te bestaan die bewijzen dat haar man de psychiaters uit eigen zak heeft betaald voor het vaststellen van deze diagnose. `Dit was algemene praktijk in het psychiatrisch ziekenhuis tijdens het bewind van directeur Júlio de Matos´, stelt Manuela Gonzaga, die een boek schreef over het drama.

Niets lijkt de familie er nu van te kunnen weerhouden om Maria Adelaide onder te brengen in een psychiatrische instelling in het buitenland. Maar men heeft buiten de standvastigheid van de `eenvoudige chauffeur´, Manuel Claro, gerekend. Vanaf zijn gevangenneming heeft deze een advocaat gecontracteerd, die al snel de complete onwettelijkheid van de gedwongen opname van Maria Adelaide doorziet.
Op 9 augustus 1919 begeeft de advocaat, vergezeld door de `Governador-civil´ do Porto (hoogste districtsbestuurder) zich met een order van het Ministerie van Binnenlandse Zaken naar het `Hospital Conde da Ferreira´ om vrijlating van de vrouw te eisen. Na negen maanden gedwongen opsluiting, zonder behoorlijke diagnose of therapie, is ze eindelijk vrij.

In de daaropvolgende vier jaar leeft Maria Adelaide verborgen voor de wereld in het huis van een familie uit de hogere burgerlijke klasse die zich haar lot had aangetrokken en weet de sympathie van een aantal dames uit de elite van Porto te winnen. Ten eerste omdat ze het slachtoffer is van misbruik door een ijdele macho man, die bovendien ook nog eens uit Lissabon komt (!).

recente heruitgave van het boek

Om zich te beschermen tegen de razernij van Alfredo da Cunha en om de eer van Manuel Claro te verdedigen, die nog steeds in de gevangenis van Aljube (Lissabon) zit, publiceert Maria Adelaide delen uit haar dagboek in een boek dat ze de naam `Doida Naõ!´(Gek [of een Gekkin] Nee!) geeft, dat in 1920 wordt uitgegeven.
Haar boek etaleert alle vernederingen die ze heeft moeten ondergaan vanwege `de simpele misdaad om lief te hebben´. Nu barst het schandaal los, vooral omdat haar echtgenoot antwoordt met een eigen versie: `Helaas gek!´, dat integraal wordt opgenomen in de `Diário de Notícias´.
De gemeenschap verdeelt zich in twee kampen: De traditionele bourgeoisie kiest voor het grootste deel de kant van de `in de steek gelaten echtgenoot´, maar voor de meerderheid van het Portugese volk is het `een geval van totale liefde´ en machtsstrijd. De werkende klasse identificeert zich natuurlijk met de `underdog´.

Maria Adelaida krijgt steun van een conurrent van de `Diário de Notícias´: `A Capital´, een krant die op haar voorpagina stukken uit het dagboek van haar publiceert en een onderzoek start naar de onregelmatigheden rond haar opname in het psychiatrisch ziekenhuis. Men ontdekt dat daar verschillende vrouwen op illegale wijze zijn opgenomen, niet omdat ze gestoord zijn, maar als bestraffing door hun familie. De zaak wordt hoog opgenomen door het parlement en er volgt een wetswijziging.
Nu moet haar geliefde Manuel vrij. Die zit nog steeds gevangen. Beschuldigd, maar nooit  berecht. In de publieke opinie wordt de positie van de geliefden steeds sterker en in januari 1922 wordt Manuel Claro vrij gelaten. De juridische kosten worden betaald door de vakbond voor chauffeurs.

Na vier jaar strijd zijn ze eindelijk samen. De publieke opinie is nu zo sterk tegen Alfredo da Cunha, dat deze niets meer tegen ze kan ondernemen. De chauffeursvakbond regelt een taxi voor Manuel en een standplaats in Porto, waar het paar gaat samenwonen. Maria Adelaida doet naaiwerk. Ze leven nog lang en gelukkig. Nadat haar (ex)echtgenoot is overleden, herenigt ze zich in 1944 met haar kinderen. In 1954 overlijdt ze. Manuel blijft tot zijn dood in Porto wonen.

Maria Adelaida op latere leeftijd

Nou, was dat geen mooi verhaal? Een beetje lang misschien, maar het boek telt 408 bladzijden en die worden vast niet in het Nederlands vertaald. Heb je toch maar mooi een uittreksel gelezen!

Dit verhaal is gebaseerd op en deels vertaald uit een artikel in de zaterdagbijlage van de krant `jornal de Noticias´ naar aanleiding van een heruitgave van het boek `Doido Não e Não´ van Maria Adeaida Coelho da Cunha door de journaliste en historica Manuela Gonzaga.



 

dinsdag 10 april 2018

Bijzonder Portugees 38. De communisten




Het rode vaandel prijkt nog steeds bij hem aan de muur
Debatteert me kameraden van het eerste uur
Je hoeft hem echt niets te vertellen
Tegenstand doet hem versnellen 
Het heeft geen zin..
`De Waarheid´ staat vast als een dijk
In een arbeidersstaat heerst recht en is iedereen gelijk
Hij heeft het lef niet om onzeker te zijn.


In de jaren ´90 van de vorige eeuw mocht ik als zanger van de legendarische band ``t Skip In´ dit couplet van het door de bekende singer-songwriter/saxofonist Ben van Hooff geschreven lied `Het lef om onzeker te zijn´ zingen. Een wonderschone ballade over geestelijke starheid, waarin ook de Jehova, de xenofoob, de narcistische intellectueel en de buiskluisteraar aan de beurt komen.

´t Skip In

Ik moet daar vaak aan denken als ik op de televisie debatterende leden van de Portugese Communistische Partij (PCP) weer eens hoor vervallen in gebral over de `Strijd van de arbeider tegen het grootkapitaal, de massa´s die zich zullen verheffen...´ en meer van dergelijke Marxistische vaktaal uit de eerste helft van de vorige eeuw.

"Hebben jullie nog steeds een serieuze communistische partij?", vroeg ik ruim twintig jaar geleden verbaasd aan mijn Portugese vriendin: "Dan zijn jullie vast de enige in de Europese Unie. Dat is toch een anachronisme!"
Het is nu 2018 en ze zitten er nog steeds, die communisten. Met 15 volksvertegenwoordigers - van de in totaal 230 - in de `Assembleia da Republica´, het Portugese parlement. Goed voor ruim 6% van de stemmen.

de `Geringonça´

En ze laten van zich horen. Op dit moment hebben ze zich verplicht om de zogenaamde `Geringonça´, de minderheidsregering van de `Partida Socialista (PS)´ op hoofdlijnen, zoals de jaarlijkse begroting, te steunen. Maar als het om zaken gaat die de huidige regering niet ten val kunnen brengen, nemen ze nog steeds - net als ooit in Nederland - hun eigenwijze en soms hoogst merkwaardige standpunten in: Zo deden ze de plannen van de regering om de oncontroleerbare, abominabele staat van het Portugese bos nu eindelijk eens daadwerkelijk te hervormen stranden, omdat ze tegen onteigening (pas na 5 jaar, en zelfs daarna nog met het recht van de eigenaar om zich te melden en zijn land weer in bezit te nemen) van percelen bos met onbekende eigenaar waren. Dat zou de `kleine eigenaar´ benadelen ten opzichte van de `grootgrondbezitter´.

De `Partido Comunista Português (PCP)´ is van mening dat Portugal uit de Europese (Monetaire) Unie moet stappen. Volgens de partij is toetreding tot de Euro voor Portugal een ramp geweest. Tegelijkertijd wil ze bij datzelfde Europa een herstructurering van de gigantische staatsschuld bedingen!?
Op internationaal gebied is ze tegenstander van sancties tegen het Venezuela van Nicolás Maduro, het Noord-Korea van Kim Jong-un, omdat de wereld zich niet mag bemoeien met de `keuze van een volk voor een Chavistische c.q. op Marxistische beginselen gestoelde maatschappij´ en, wegens voor de hand liggende redenen, moet Portugal zich niet met de Krim en - het eens tot de invloedssfeer van de Sovjet Unie behorende - Angola bemoeien.
De communistische jongeren (JCP) besloten laatst - gelukkig zonder consequenties - dat de dienstplicht weer in Portugal ingevoerd zou moeten worden.
Op 29 mei stemden PCP tegen het wetsontwerp ter legalisering van euthanasie, omdat men `geloofde in de bescherming van het leven en de voorgang van de medische wetenschap´. Een onverwacht conservatief standpunt. In dezelfde week zette de partij de regering onder druk om de schadevergoedingen voor eigenaren van tweede woningen die door de branden van vorig jaar zijn verwoest met voorrang te behandelen. Dat zou goed zijn voor de lokale economie. Of je boer Koekoek hoort oreren! 

De PCP werd in 1921 opgericht. In 1923 hield ze haar eerste congres (met 100 leden). In 1926 werd ze verboden en moest ze haar werk ondergronds voortzetten tot de Anjerrevolutie in 1974. Vooral tijdens de dictatuur van de `Estado Novo´ van Salazar was de onderdrukking van de partij erg groot. Leden werden door de geheime staatspolitie, de `Pide´ vervolgd en -vaak zonder enige vorm van proces - gevangengezet. Beroemd is het verhaal over de ontsnapping van 10 partijleden uit de zwaar beveiligde gevangenis in Peniche in 1960 (vertel ik nog wel een keer) Onder hen Álvaro Cunhal, die van 1961 tot en met 1991 Secretaris-Generaal van de partij was. Hij vluchtte naar Moskou en verbleef daarna in Parijs tot de revolutie van 25 april 1974.

Àlvara Cunhal
Bij zijn terugkeer werd hij op het station in Lissabon omarmd door de partijvoorzitter van de socialistische partij (PS), Mário Soares. Maar die liefde was van korte duur. Na de mislukte coup van extreem-linkse militairen - de PCP heeft altijd ontkend daarbij betrokken te zijn geweest - in november 1974, ontstond een sfeer van wantrouwen tussen communisten en socialisten. In het jaar na de revolutie had de PCP veel invloed en was betrokken bij nationaliseringen van o.a. mijnen, banken, schepen, het herverdelen (onteigenen) van landbouwgronden en het `zuiveren´ van krantenredacties door  de revolutionaire strijdkrachten (MFA) onder leiding van Vasco Gonçalves.

Dat werd natuurlijk niet door iedereen in dank afgenomen en het is dan ook geen wonder dat de communisten bij de eerste vrije verkiezingen in 1975 slechts ruim 12% van de stemmen kreeg, tegenover bijna 38% van de PS, die via hun Duitse zusterpartij, gesteund werd met geld van de CIA (Da´s ook nog een mooi verhaal) Tussen 1976 tot en met 1987 schommelt het aandeel van de PCP in de parlementszetels van tussen j12 en bijna 19%, daarna zakt te partij terug naar 6 tot 8% van de kiezers.

Tijdens het partijcongres van 1990, kort na de val van de Berlijnse Muur, vond een enorme ideologische strijd plaats binnen de partij, te vergelijken met de strijd tussen de zogenaamde `Horizontalen´ en de `Vernieuwers´ binnen de Nederlandse CPN. In tegenstelling tot in de meeste Europese landen viel de partij niet uit elkaar, maar koos het overgrote deel van de 2000 afgevaardigden voor voortzetting van het op de leer van Lenin gebaseerde communisme. Tegenstanders zochten hun heil elders, of werden - traditiegetrouw - uit de partij gezet. Álvara Cunhal werd ziek en werd vervangen door Carlos Carvalhos, die op zijn beurt in 2004 werd opgevolgd door Jerónimo de Sousa, een voormalig arbeider en vakbondsleider uit de metaalindustrie. En hoewel de communisten tegenwoordig best in staat zijn om met de socialisten samen te werken, zoals al eerder gebeurde in de gemeenteraad van Lissabon, heeft hij het moeilijk. Voor het eerst werkt de partij serieus samen met een regering. Er moeten concessies gedaan worden en die moeten aan de achterban verkocht worden.

Jerónimo de Souza

De lezer die haast heeft, kan de cursieve tekst rustig overslaan.

`De secretaris-generaal is vermoeid. Horizontale rimpels vechten met verticale lijnen om een plaatsje op zijn diep gegroefde gezicht. Het valt ook niet mee. Altijd is zijn partij overal tegen geweest - en terecht: Tegen het beleid van de rechtse partijen, de (neo)liberalistische vertegenwoordigers van het grootkapitaal, tegen de, met diezelfde kapitalisten meeheulende, zogenaamde socialistische partij en niet minder tegen het gewauwel van het linkse blok, die vage kliek van Trotskistische, Maoïstische, ja zelfs revanchistische elementen.

En nu moest ze ergens vóór zijn. Had ze gekozen om ergens voor te zijn!
De `Verelendung´, veroorzaakt door het neoliberale beleid van de regering Passos Coelho, gesteund en onder druk gezet door dat kapitalistische instituut `Europa´, waar schijnheilige, Westeuropese demagogie de dienst uitmaakt, had niet tot een glorieuze revolutie van het arbeidersproletariaat geleid, zelfs niet tot een overweldigende overwinning van de Communistische Partij bij de daaropvolgende verkiezingen. De communistische heilstaat leek verder weg dan ooit.

En toen kwam António Costa, de leider van de socialistische partij, met dat gewaagde voorstel. Een minderheidsregering met steun van de communisten en het linkse blok in het parlement: de `Geringonça´, een houtje-touwtje regering. 

Maar had hij daar wel goed aan gedaan, vroeg hij zich de laatste tijd in slapeloze nachten af. Waren ze niet te revisionistisch bezig. Op zich werkte deze oplossing redelijk en ze was altijd nog beter dan een rechts, neoliberaal gouvernement. De socialisten hielden zich, wat de hoofdlijnen betrof wel aan de afspraken, maar weken  verder toch erg vaak af van het rechte socialistische pad. De minister van financiën, Mário Centeno, zat nu zelfs de door de Partij zo gehate Eurogroep voor en de beloofde onderhandelingen over de herstructurering van de staatsschuld leken al helemaal van de baan. Wat zouden zijn voorgangers, en met name de grote partijleider Álvaro Cunhal van zijn beleid gedacht hebben? Hoe lang kon hij de oude kameraden en de jonge - die snakten naar actie - nog overtuigen van de juistheid van zijn keuze. Op partijcongressen en tijdens interne toespraken gebruikte hij nog steeds de - zelfs in zijn eigen oren - steeds roestiger klinkende partijretoriek, maar in het overleg met de socialisten van Costa en de steeds meer ruimte voor haar linkse blok opeisende Catarina Martens, was het lijmen geblazen.´ 


congres PCP

Ik heb lang gedacht dat het tijd werd voor de communisten om het veld te ruimen in Portugal. Goed, ze hebben nog steeds een grote invloed op een van de grootste vakbonden de `Confederação Geral dos Trabalhadores Portugueses (CGTP)´ en hun jaarlijkse feest `Avante´ (Voorwaarts) blijft een belangrijk cultureel evenement, maar hun ideologie is niet meer van deze tijd en ze staan een sterk links blok (dat deel zou kunnen nemen aan een regering) in de weg.

De laatste tijd denk ik daar toch iets anders over: Ondanks haar soms dwaze en anachronistische ideeën is het een partij van arbeiders die opkomt voor de arbeiders en de allerarmsten. Een partij met een ideologie in een tijd waarin politieke partijen steeds meer op een verzameling belangenverenigingen beginnen te lijken (zoals in Nederland). De PCP is een vergaarbak voor mensen die hun onvrede met de maatschappij willen uiten - en gehoord worden - en misschien is ze is daarom wel een van de redenen waarom extreem rechts in Portugal geen voet aan de grond krijgt.
In het parlement is ze een broodnodige luis in de pels. Dat is het `Bloco Esquerda´, het linkse blok, ook, maar dat is toch meer een partij voor intellectuelen, waarin het electoraat van de PCP zich nooit thuis zou kunnen voelen.







vrijdag 9 februari 2018

Bijzonder Portugees 37. Ruk ze uit, die eucalyptus!

Eigenlijk bijzonder on-Portugees: Een paar weken geleden las ik in het weekendmagazine van de krant `Jornal de Notícias´ over een sterk staaltje van burgerlijke ongehoorzaamheid, dat je niet zo snel zou verwachten bij een volk dat zich doorgaans kenmerkt door conformisme en een - in mijn Nederlandse ogen - overdreven respect voor hiërarchie en autoriteit (Kennelijk resultaat vele eeuwen lange onderdrukkende monarchie en de kort daarop volgende burgerlijke dictatuur, gekruid met een autoritaire clerus en een langdurige aanwezigheid van de Inquisitie). Hoopgevend, ook al speelt het verhaal zich al weer 29 jaar geleden af. In 1989 rukte een groep van honderden streekbewoners een aanplant van 200 hectare eucalyptus uit de grond uit angst dat deze bomen ze bosbrand zouden brengen en van het (grond)water zouden beroven. De politie vuurde boven hun hoofden, maar ze weken geen strobreed En ze kregen gelijk: In tegenstelling tot in het overgrote deel van de rest van Portugal, is in hun streek al dertig jaar geen brand geweest.  


Op 31 maart 1989, gewaarschuwd door het signaal van de kerkklok, verzamelden zich 800 mensen in Veiga do Lila, een klein dorp in de gemeente Valpaços, in het noorden van Trás-os-Montes, voor een van de grootste milieu-acties ooit in Portugal gevoerd.
De groep, voornamelijk gevormd door de bewoners van acht gehuchten in de vallei - waarbij zich later milieu-activisten uit Porto en Braga, opgeroepen door de milieu-organisatie `Quercus´, aansloten - trok op naar de `Quinta do Ermeiro´, het grootste agrarische landgoed in de streek, waarop een cellulose-bedrijf 200 hectare jonge eucalyptusboompjes aan het planten was.


Ze werden opgewacht door 200 agenten van de `Guarda Nacional Republicana, (GNR)´, de Portugese militaire politie, die een cordon vormde om het volk te beletten de zaailingen uit de grond te trekken. Maar ze waren met te weinig om de vastbesloten menigte tegen te houden.
Maria João - een meisje nog - die op die dag in een rood Mickey Mouse-shirt meedeed aan de actie, zegt: `Ze grepen me bij de arm en zeiden me naar huis te gaan om tekenfilmpjes te kijken", maar ze wist zich met een elleboogstoot los te rukken: "Ik was zo overtuigd van ons gelijk, dat ik geen enkele angst voelde. Op die dag was niemand bang. Ze schoten hun geweren af in de lucht en het leek alsof we een onbekende kracht ontvingen om door te gaan"


In de loop van de middag nam de spanning toe. "Er kwam een moment dat ik dacht dat het verkeerd zou kunnen aflopen", zegt António Morais, de aanvoerder van de protestacties, nu. "Er waren politie-agenten uit heel Trás-os-Montes, uit Regua en Chaves, uit Vila Real en Mirandela."
Maar de pers was er ook en tot op de dag van vandaag gelooft hij dat daardoor het geweld niet verder escaleerde. Er werden stenen naar de politie gegooid en die deelde wat klappen uit, maar verder ging het niet. Er verschenen zelfs agenten te paard, maar die konden niet veel uitrichten: Voor de aanplant van de bomen waren terrassen aangelegd. Hoogteverschillen die de paarden niet konden nemen.
Achthonderd stemmen scandeerden: `Olijfbomen ja, eucalyptus nee!´ en trokken onder grote belangstelling van de pers - er hing zelfs een helikopter in de lucht - de pas geplante eucalyptusboompjes uit de grond. In een uur tijd werden 180  hectare eucalyptus vernietigd.

António Morais

Daar was wel heel wat aan vooraf gegaan: De bevolking van het binnenland krijg je niet zomaar in beweging. Vooral niet omdat de regering o.l.v. Aníbal Cavaco Silva (heb je ´m weer) het planten van de snelgroeiende eucalyptus had voorgespiegeld als  goed alternatief of een snelle manier om wat bij te verdienen voor de slecht renderende sector (waarvan diezelfde premier de quota aan de rest van Europa verkocht, in ruil voor snelwegen en stadsontwikkeling).
António Morais, eigenaar van een aantal hectaren olijfbomen in Lila, had de moeite genomen om het effect van het planten van eucalyptus op de grondwaterstand en het gevaar van bosbrand wat beter te bestuderen en toen het cellulose-bedrijf Soporcel besloot 200 hectare olijfbomen door eucalyptus te vervangen, kwam hij in actie. Hij wist eerst de grote olijfboomtelers uit de buurt bijeen te krijgen en te overtuigen van het gevaar van deze (mono)cultuur, die daarna de rest van de bevolking bij de uitgang van de mis opwachtten, om haar te informeren en het belang van actie op het hart te drukken. Ook de burgemeester, die eigenlijk geen partij mocht kiezen, liet blijken dat hij aan de kant van de eucalyptus-oppositie stond. Er werd contact gezocht met de milieu-organisatie `Querques´ en men begon met nachtelijke `raids´, waarbij telkens een of twee hectaren jonge boompjes werden vernietigd. Tijdens de eerste grotere actie bij daglicht vluchtte de demonstranten voor de politie, maar de tweede was groter, beter georganiseerd en de pers was ingelicht.

De actie eindigde toen José Oliveira, een boer uit een van de kleine dorpen, door de GNR, die zo dom was geweest om een revolver in zijn zak te steken, door de GNR gevangen werd genomen. De menigte richtte zich nu tot de politie en schreeuwde: `We gaan hier niet weg tot jullie hem vrijlaten. De vertegenwoordiger van Quercus onderhandelde en kreeg hem vrij.


De demonstranten verlieten het slagveld en verzamelden zich op het dorpsplein van Veiga do Lila. Er werden twee lammeren en een speenvarken geslacht en een paar vaten (pipas) wijn aangerukt. Het feest duurde tot diep in de nacht en natuurlijk mochten de politie-agenten die een paar uur eerder nog als tegenstanders in het veld stonden, ook aanschuiven. In Trás-os-Montes staat de gastvrijheid altijd voorop.

Uiteindelijk werden Morais en nog een tiental protestleiders veroordeeld tot voorwaardelijke straffen wegens `invasie van eigendom´ (iets tussen onbevoegd betreden en huisvredebreuk).
Een paar ingenieurs van Sorporcel kwamen nog met het voorstel om de klacht in te trekken als de groep zou beloven nieuwe aanplant van eucalyptus met rust te laten. `Vergeet het maar´, was het antwoord van alle leden. In de volgenden nachten werd alles wat noch restte van de eucalyptusplantage uit de grond getrokken en het cellulose-bedrijf zag zich gedwongen om het landgoed te verkopen. Aan de familie die het kocht werd meteen duidelijk gemaakt dat eucalyptus in Valpaços niet tot de mogelijkheden behoorde. Er groeien nu walnoten- , amandel- en olijfbomen en parasoldennen voor de pijnboompitten.   


woensdag 22 maart 2017

Bijzonder Portugees 36.Om te zoenen

Portugezen zoenen wat af: In liedjes, gedichten, als afsluiting van telefoongesprekken, brieven, e-mails en chats: `Um beijo (grande)´, een (grote) kus, `um beijinho´ een kusje, of `muitos beijinhos para ti e a teu marido, mãe, filha(o), tia e avó´, veel kusjes voor jou, je man, moeder, dochter of zoon, tante en oma (enz.) aan het eind van een Skype gesprek met een geëmigreerd familielid. Artiesten, zoals de fadozangeres Gisela João nodigen op de televisie hun publiek uit voor een optreden met een `beijo enorme´. En dan zouden we nog bijna al die echte, fysieke zoenen, kussen en kusjes vergeten.


In Nederland geef je een vrouw - vooral als man - hij de eerste kennismaking een hand (of helemaal niks). De kat moet eerst maar eens uit de boom gekeken. Pas daarna wordt iemand - volgens onnavolgbare regels ingedeeld in de categorie zoenbaar of niet zoenbaar. In het eerste geval krijgt zij bij een volgende ontmoeting drie - al dan niet in de lucht zwevende - kussen toebedeeld. Mannen zoenen elkaar ook wel, maar dan moet er toch al sprake zijn van vriendschap. Leden van mijn generatie - ikzelf niet uitgezonderd - doen hun best, maar het proces verloopt toch vaak nog wat onhandig en stroef. Tussen vrouwen gaat dat allemaal wat gemakkelijker.

Gisela João

Maar als je in Portugal aan een vrouw wordt voorgesteld - al is het in de supermarkt - moet je er meteen tegenaan: Twee kussen. Eén op elke wang. Maar houdt het vluchtig en pas op voor botsingen, want de meeste Portugese vrouwen zijn erg gesteld op hun make-up. Als je die verstiert, wordt je ingedeeld in de categorie `parvo´, sufferd, stomkop. In de verstedelijkte gebieden aan de kust gaat deze formule bijna altijd op, in het binnenland is men wat afstandelijker. Daar kus je niet zomaar je buurvrouw, die geef je een hand (tenzij je wat met haar hebt natuurlijk. Maar binnen de familiekring en tussen echte vrienden wordt net zo frequent gezoend als aan de kust.

Vrouwen die kennismaken of elkaar kennen - al is het maar vaag en zelfs rivalen - kussen elkaar in principe altijd, Vaak stopt de kusbeweging een of twee centimeter voor de wang: Zij weten uit eigen ervaring hoeveel tijd het kost om cosmetische verfraaiingen aan te brengen, of te herstellen.
Mannen daarentegen - behalve als ze iets met elkaar hebben natuurlijk - kussen elkaar nooit. Portugal is voor een groot deel nog steeds een homofobe machomaatschappij en voor veel Portugese mannen bestaat er niets erger dan uitgemaakt worden voor `paneleiro´, flikker. Ik heb van horen zeggen dat er Portugese Europarlementariërs zijn die op de vlucht slaan als ze horen dat Jean-Claude Juncker in de buurt is (zal wel broodje aap zijn). Nieuwe generaties zijn inmiddels een stuk toleranter, maar op dat gebied is er nog veel werk aan de Portugese winkel.

Marcelo Rebelo da Souza en Jean.Claude Juncker

Mannen geven elkaar een hand, Zelfs als je elkaar ´s morgens al in het café en een uur geleden in de moestuin hebt begroet, herhaal je dat ritueel. Ken je een of twee mannen in een groep, bijvoorbeeld in een café of winkel, dan geef je ze allemaal een hand, zodat niemand zich uit buitengesloten voelt. Geen ferme handdruk - er moet nog gewerkt worden - maar een beetje een slap handje. Heb je vuile handen, dan bied je je pols aan.
Ook een mail, brief of telefoontje aan een goeie vriend of zwager eindig je als man niet met een `beijinho´, maar een `abraço´, omhelzing, handdruk (onder vrienden) is heel gebruikelijk en net iets persoonlijker dan `hartelijke groet´, of - dat kinderachtige `groetjes´.

Al dat gezoen in Portugal heeft een extra dimensie gekregen met de komst van president Marcelo Rebelo da Souza, die in zijn - tot nu toe bijzonder geslaagde - poging om een president dichtbij en voor het hele Portugese volk te zijn, een ware zoenkampioen is geworden. Tijdens zijn vele, bezoeken (De man heeft een onstuitbare energie) aan scholen, instellingen, openingen, volksbuurten en wat al niet meer, deelt hij dagelijks tientallen - zo niet honderden - kusjes uit aan meisjes en vrouwen uit alle lagen van de bevolking, door de ontvangster gretig vastgelegd met een `selfie´. De blaren op zijn lippen. Een hele krachttoer voor iemand met neiging tot hypochondrie

Marcelo op pad
.
Boze tongen beweren dat hij de verkiezingen heeft gewonnen met meer dan een miljoen kusjes,
liefst aan `volksvrouwtjes´, er altijd voor zorgend dat er een televisiecamera in de buurt was.
Dat lijkt me achterklap. Marcelo, zoals hij door iedereen genoemd wordt is natuurlijk niet achterlijk, maar hij beweegt zich nu eenmaal bijzonder natuurlijk en gemakkelijk in elk soort gezelschap.
Als hij nu straks maar niet een presidente Marine Le Pen hoeft te zoenen. Zou ie dat doen? Ik denk het niet. Maar als je ergens een gewoonte van maakt, schept dat wel verwachtingen.

En, o ja, nu iedereen weer Brave new world, 1984, Player piano (Kurt Vonnegutt) en Fahrenheit 451 (Ray Bradbury) aan het lezen is, heeft de Portugeest een muzikale tip. Randy Newman schreef het lied in 1972, ten tijde van president Nixon, maar actueler dan ooit, geeft het precies de mentaliteit van Trump en zijn kiezers weer.

                                         https://www.youtube.com/watch?v=EqBrw3rQvKo 



donderdag 5 januari 2017

Bijzonder Portugees 35. Janeiras

Als je Portugal een beetje kent, weet je dat het een land is van tradities en niet in het minst van muzikale: de fado, `de cantares alentejanos´, de liedjes ter gelegenheid van de `magusto´, het kastanjefeest en alle lokale volksmuziek waarop gedanst en gezongen wordt. Een Portugees zingt meer in een jaar dan de gemiddelde Nederlander in zijn hele leven. Maar kende je de `Janeiras´ al, de liederen die ter gelegenheid van het nieuwe jaar gezongen worden in vriendenclubs, op scholen in `tunas´, muziekverenigingen en allerlei ander groepsverband? Het is een oude traditie, die niet alleen in ere wordt gehouden, maar waaraan de laatste jaren zelfs steeds meer mensen lijken mee te doen.

 
1 januari 2017, Fandinhães
 

`As Janeiras´, wat zoiets als de `januarigiften´ betekent, werden in vroeger tijden door groepen arme (land)arbeiders ( wat je in Portugal - en grote delen van Europa - tot nog maar kort geleden een pleonasme zou kunnen noemen) aan de poorten van de adel en de rijkere boeren gezongen. Met deze eenvoudige liederen (vergelijk met die van het Nederlandse Sint Maarten) werd het nieuws van de geboorte van het kerstkind aangekondigd en iedereen een goed nieuw jaar gewenst. De bedoeling was natuurlijk om de restjes van de kerstmaaltijd van fortuinlijker dorps- en stadsgenoten af te bietsen.
Hoewel de adel bij die bedelzangen beslist niet werden overgeslagen, waren er toch veel `Janeiras´ waarvan de tekst op het volgende neerkwam (bron Wikipédia):

`As Janeiras não se cantam           ´De Janeiras zing je niet
Não se cantam as fidalgos                Nee, die zing je niet voor de heren van adel
Cantam-se aos lavradores                Je zingt ze voor de boeren
que são homens mais honrados´    Dat zijn eervoller mannen´ 

(omstreeks 1900, Vila Real) 

Een kleine wraakneming voor weer een jaar van honger, vernederingen en ander armenleed?


Er wordt wel geopperd dat het zingen van de `Janeiras´ en het ophalen van van giften aan de deuren van de rijken is voortgekomen uit voor-christelijke nieuwjaarsriten waarin de goden om een goede oogst werd verzocht. Maar daar is geen wetenschappelijk grondslag voor.

Volgens de traditie vormen vrienden of buren groepen, die - nadat de liedteksten zijn uitgedeeld, de huizen in de buurt bezoeken. Soms wordt er gezongen met begeleiding van folkloristische instrumenten zoals `bombos´ (trommels), `pandeiretas´ (tamboerijnen), fluiten of gitaren. Je kunt het zo mooi maken als je zelf wilt. Als de groep uitgezongen is, wacht men tot de huiseigenaar de `Janeiras´ komt brengen. Traditioneel zijn o.a. dit kastanjes, noten, appelen, chouriço en morcela (Portugese worst), maar tegenwoordig geeft men voornamelijk chocolade en geld (om wijn van te kopen).

                                          https://www.youtube.com/watch?v=ur-EeoruGsc

De giften worden na afloop onder de zangers verdeeld, of men zet zich aan een gemeenschappelijke dis.
Vroeger werden de `Janeiras´ tussen kerstmis en het driekoningenfeest gezongen. Tegenwoordig zingt men de `Janeiras´ in de hele maand januari, buiten, in gemeentelijke auditoria en clubhuizen, maar vooral ook op scholen. Toen mijn zoontje een jaar in Marco de Canaveses op school zat, kregen mijn vrouw en ik een uitnodiging om de `Janeiras´ te komen beluisteren. Alle kinderen waren op het schoolplein verzameld en stonden uit volle borst `Boas festas, boas festas´ (prettige feestdagen) te zingen. Ik verstond `bolos secos´, wat droge taarten - misschien overgebleven van de kerstmaal? - betekent. Dat werd een familiegrap.

                                         https://www.youtube.com/watch?v=U0Fooilq4qc
                                                       `Natal dos simples´, José Afonso

De beroemdste `Janeiras´ zijn van de hand van de legendarische Portugese zanger en componist José Afonso (1929-1987): `Natal dos simples´ (Kerst van de gewone man), beter bekend als `Vamos cantar as janeiras´ (Laten we de `Janeiras´ gaan zingen), dat - hoewel geen traditioneel Portugees lied - bijna iedereen kent en niet vaak op de `Janeirasplaylist´ ontbreekt.
 

 

 

 

woensdag 28 december 2016

Bijzonder Portugees 34. Mis van de haan

Kerstmis 2016 in Noord-Portugal. Koude wind met mistvlagen. Maar af en toe breekt de zon  daar doorheen en laat de goudgekleurde eikenbladeren bijna oogverblindend schitteren. Prachtig weer voor een boswandeling, maar ´s avonds, na het kerstmaal lekker voor de houtkachel met een pas uitgepakt boek - op kerstavond komt de kerstman langs - met een half oog op de televisiefilm waar mijn zoontje naar kijkt. Lekker lui, even niets. Stel je voor dat je over een uurtje - zoals een groot deel van de katholieke Portugezen - nog naar de nachtmis moet... 

 


De Kerstnachtmis, vind je in bijna alle landen met een rooms katholieke traditie. In Portugal wordt deze nachtmis, die op 24 december precies om middernacht begint, het tijdstip waarop - volgens katholiek gebruik- het kindje Jezus wordt geboren, `Missa do Galo´, Mis van de Haan, genoemd. Volgens de overlevering heet die zo, omdat alleen in de nacht van 24 op 25 december de hanen om middernacht kraaien. Maar het ligt meer voor de hand dat de naam slaat op het luiden van de kerkklokken om de gelovigen tot de mis te noden (en de hanen wakker te maken). Een meer humoristische verklaring zegt dat de nachtmis zo lang duurt, dat hij pas afgelopen is als de hanen de dageraad aankondigen.

Omdat de `Missa do Galo´ om middernacht werd gevierd, ontstond in Portugal de traditie om met brandende kaarsen in de hand ter misse te gaan, niet zozeer vanwege de symboliek als wel omdat de wegen ´s nachts onverlicht waren, zeker toen er nog geen elektriciteit was. Hieruit ontstond de traditie om in middernachtelijke kaarsenprocessie ter kerke te trekken. En, hoewel er tegenwoordig in heel Portugal straatverlichting is, wordt deze traditie in sommige dorpen in het binnenland nog steeds in ere gehouden.
Er bestaat zelfs een legende over deze kaarsenprocessie:


`Een jonge herder was op de dag voor kerstmis de hele dag met zijn schapen in het veld. Vlak voor de avond viel, raakte er een zoek en omdat hij niet met een schaap minder thuis wilde komen, bleef hij in het donker zoeken tot hij het dier vond.
Inmiddels was het zo laat geworden dat hij het luiden van de kerkklokken voor de `Missa do Galo´ had gemist en zonder het geluid van die klokken, slaagde hij er niet in om in het donker de weg naar huis te vinden. Hij overgeleverd aan de wolven, de decemberkou en wat de nacht nog meer voor gevaren voor hem in petto had.

Net toen hij de moed had opgegeven om het pad nog terug te vinden, zag hij in de verte een lange processie van lichtjes in de nacht langstrekken. Het was de bevolking van zijn hele dorp, die de nachtmis had onderbroken. Men had de kaarsen van de kerk genomen en was naar hem op zoek gegaan. Toen de jonge herder was gevonden, keerde de hele processie terug naar de kerk en werd de mis hervat.
En sinds die dag werd het gewoonte om met een aangestoken kaars naar de `Missa de Galo´ te lopen, opdat niemand zou verdwalen in de kerstnacht.´


Een andere kersttraditie, die je nog in de `Beiras´ (Alta, Baixa en Litoral) - oude provincienamen voor een groot gebied in Midden-Portugal - vindt, is het maken en aanhouden van enorme vuren op de dorpspleinen, die `Madeiros´ of ´Fogueiros do Natal´ worden genoemd. Een heidens gebruik - met Keltische wortels - ter ere van de zonnewende, dat de katholieke kerk niet heeft kunnen uitroeien en daarom maar adopteerde met een kleine aanpassing van het kerstverhaal:

`Eenmaal aangekomen bij de stal waar Jezus was geboren, verbaasden de herders zich over de armoedigheid van de plek waar de `Zoon van God´ was geboren en over zijn gebrek aan kleding. Ze legden daarom een groot vuur aan voor het optrekje. Om alle mensen te waarschuwen dat Jezus was geboren en de weg voor pelgrims te verlichten, werd daarna een keten van vuren op de pleinen van de dorpen aangestoken.´


De traditie van de `Madeiros´ begint met het verzamelen van brandhout, dat, ergens in het begin van december, ´s nachts door de mannen in de bossen of bergen buiten het dorp wordt gekapt. De volgende dag gebruikt men een ossenkar, die volgens de traditie gestolen moet worden (met oogluikend medeweten van de eigenaar natuurlijk), om het brandhout te vervoeren. Die kar wordt eerst door de vrouwen versierd met de bloemen en bloesemtakken van het seizoen en daarna wordt hij met hulp van de dorpsbevolking naar het centrum getrokken. Op de avond van 24 december wordt het vuur in het bijzijn van het hele dorp aangestoken en na de `Missa do Galo´ verzamelt men zich daar opnieuw om te feesten en kerstliederen te zingen.
In veel dorpen wordt het vuur - ononderbroken - brandend gehouden tot het Driekoningenfeest.



De Portugeest wenst de lezers alvast een daverend uiteinde en een fantastisch nieuw jaar.